Voor de Nederlandse markt

Duits steengoed uit het Westerwald en van elders 1800-1900

Adri van der Meulen en Ron Tousain schreven dit artikel over het gebruik en de verschijning van steengoed uit het Westerwald in de negentiende eeuw in Nederland. Denk daarbij aan de zg. "Keulse potten", ansjovispotten, steengoed kruiken en andere potten om levensmiddelen langer in te bewaren.

tekst

Steengoed in de negentiende eeuw

Duits steengoed uit Siegburg, Raeren, Frechen en het Westerwald vormde in Nederland eeuwenlang een welkome aanvulling op het eigen pottenbakkersgoed vanwege de bijzondere geschiktheid als schenk- en drinkgerei. Tot omstreeks 1750 was het bovendien van hoge artistieke kwaliteit, maar mede door de komst van nieuwe keramieksoorten, zoals de Engelse creamware nam de belangstelling van het publiek af voor de luxere varianten van het steengoed, dat inmiddels voornamelijk uit het Westerwald werd betrokken onder de verzamelnaam 'Keulse potten'. Andere productiecentra als Vreden- Stadtlohn en de Elzas zijn voor Nederland van geringere betekenis.

Het doel van deze publicatie is het onder de aandacht brengen van een groot aantal voorwerpen, meest uit eigen collecties, gemaakt in de negentiende eeuw toen de kannenbakkers een omslag hebben gemaakt naar eenvoudiger gebruiksgoed, meest bestemd voor het conserveren, verpakken en verzenden van voedsel en dranken. Hoewel er veel bewaard gebleven is, zowel in Duitsland als in Nederland, betreft het aardewerk uit een enigszins vergeten, maar niet minder interessante periode.

 

Het gebruik van steengoed in Nederland

De Nederlandse markt heeft een eigen assortiment, dat zichtbaar wordt in de vele potten die fabrikanten en winkeliers lieten voorzien van hun firmanaam. Hierop vooruitlopend worden in het eerste deel van ons verslag de belangrijkste vormen getoond van de potten bestemd voor vis, met name ansjovis, conserven, mosterd, alcoholische dranken en boter en margarine. Enkele bodemvondsten uit o.a. Arnhem en Amsterdam zijn als referentiemateriaal bij het onderzoek betrokken om tot een nauwkeuriger datering te komen.

 

Potten met aantrekkelijke afbeeldingen

Voorwerpen met ingesneden of beschilderde dieren en planten uit de periode 1800-1860 vormen het meest aantrekkelijke deel van de productie. Potten met afbeeldingen van herten, vogels, paarden, leeuwen en zelfs vrouwen, in tal van variaties en combinaties aangebracht, al dan niet met een symbolische lading, waren een pronkstuk in vooral de boerderijen in Noord- Nederland. We kennen interessante voorbeelden uit de provincie Groningen, zoals de potten voor het echtpaar Elema uit Usquert met het jaartal 1845. Ook aan andere decoratiemotieven wordt aandacht besteed, omdat dit tot nu toe weinig is gedaan.

 

De handel in steengoed

Ons tweede thema is de handel, met name de rol die kooplieden uit het Westerwald hierin hebben gespeeld. Vanaf omstreeks 1800 kwamen zij in groten getale naar ons land om hier als heen en weer reizende kramer met hun Keulse potten te venten, anderen hadden de ambitie zich permanent te vestigen met een winkel of zelfs groothandel. Vertegenwoordigers van deze tweede groep hebben we waar mogelijk gevolgd: waar waren ze gevestigd, waaruit bestond hun handel en hoe succesvol waren ze?

Al vroeg in de eeuw valt op dat hun handel zich niet beperkt tot de Keulse potten. Zo zijn er veelvuldige contacten aanwijsbaar met Nederlandse pottenbakkers, er wordt volop ingekocht in Friesland, Bergen op Zoom en Gouda. Daarnaast hebben de groothandelaren Matthias en Herman Zervaas in resp. Zwolle en Groningen hun magazijnen gevuld met het fijnere aardewerk uit binnen-en buitenland. Niettemin gingen beiden in 1841 failliet. Ook wat bescheidener winkeliers zoals de leden van de familie Mohr en Johann Fuchs in Amsterdam waren rijk gesorteerd op tal van terreinen buiten het steengoed.

Het lijkt erop dat veel Westerwald-winkeliers, op veel plaatsen in het hele land gevestigd, steeds verder afdwalen van hun oorspronkelijke handelsartikel. De faillissementsdossiers van vier kleinschalige ondernemers uit Zierikzee beschrijven het winkelaanbod met van tal van galanterieën als vergulde vaasjes, beeldjes en verlakte doosjes naast veel kop en schoteltjes uit Maastricht. Dit zakelijke concept was duidelijk niet toekomstbestendig.

Betere perspectieven waren er voor enkele schippers die zich geconcentreerd hebben op de Keulse waren in de ruimste zin. Zo bediende het Keulsche Schip van Girmscheid vele jaren de steden Zwolle en Leeuwarden en kon August Fuchs met De Rijn en Amstel Amsterdam bevoorraden en zich naderhand met een groothandel metterwoon in de hoofdstad vestigen. Ook de schippersfamilie Krummeich was jarenlang succesrijk in Rotterdam, maar is verre overtroffen door de firma Gebr. Haubrich, tussen 1855 en 1982 aanwezig op de keramiekmarkt. Ook de nog niet genoemde groothandel van Johann en Peter Modest Fein, sinds 1845 gesignaleerd in Rotterdam en ook gespecialiseerd in het grovere segment, kon zich dankzij een bekwame opvolger lang handhaven: ook De Pottenkelder werd pas in 1982 gesloten.

 

Firmanamen op steengoed

We noemden al de potten met firmanamen, het derde thema, met ongeveer 150 objecten vertegenwoordigd en globaal te dateren tussen 1860 en 1925. De vishandel, vooral ansjovis, conserven, mosterd, sterke drank en boter/margarine zijn de vijf hoofdgroepen. Aan bod komen o.a. gerenommeerde viswinkels in Amsterdam, Utrecht, Den Haag en Rotterdam, handelaren uit het Zuiderzeegebied en Bergen op Zoom, de Rotterdamse mosterdfabrieken van Schilders, Vissers en Breder, distillateurs, likeurstokers en slijters en de moderne ondernemers met hun verduurzaamde levensmiddelen. De overzeese gebiedsdelen, West-en Oost-Indië waren een aanzienlijke doelgroep voor de leverantie van de meest uiteenlopende delicatessen, naast het scheepsvolk op hun verre reizen. Hoewel de meeste levensmiddelen in blik of glas werden verzonden, was er ook plaats voor de Keulse provisiepot. Na 1870 komen daar de talrijke nieuwe boterfabrieken, melkinrichtingen en margarineproducenten bij, die heel wat potten hebben laten maken in een periode van concurrentie en vervalsingen. De Boterwet gaf voorschriften waaraan met name de margarinepot moest voldoen.

 

De productie van steengoed in Nederland

Rest de vraag in hoeverre Nederlandse pottenbakkers of andere industriëlen ernaar gestreefd hebben het populaire steengoed zelf te maken. Pogingen in Arnhem, Wageningen en Deventer, tussen 1790 en 1884 hadden geen blijvend resultaat. Toen in de beide Wereldoorlogen de import van inmaakpotten stagneerde- de huisinmaak had inmiddels een grote vlucht genomen - zijn er opnieuw weinig succesvolle imitaties beproefd, o.a. in Leiderdorp, Gouda en Limburg. Ook na 1945 hebben enkele fabrikanten in Tegelen en Roermond nog steengoed gemaakt, maar de conclusie moet toch zijn dat tegen een product met zo'n sterke marktpositie als het Duitse steengoed niet valt te concurreren.

 

Meer weten?

Hoe dateer ik een pot? Wanneer lieten firma's hun naam op potten zetten?

Download het boek en lees het uitgebreide onderzoek naar steengoed in Nederland in de 19de eeuw.

 

© 2017 Nederlandse Vereniging van Vrienden van Ceramiek en Glas en de auteurs

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de vereniging. De vereniging heeft getracht de rechthebbenden van de afbeeldingen te achterhalen. Zij die desondanks menen zekere rechten te doen gelden kunnen zich wenden tot het redactiesecretariaat.

Het boek is ook te bestellen via: http://www.vormenuitvuur.nl/bladbestellen/?Question51=235&Question55=0 

 

 

Voor de Nederlandse markt. Duits steengoed uit het Westerwald en van elders 1800-1900

Opmaak Vuv 234 LR Spreads.pdf

Fotogalerij